9 april 2021

Strafrecht onbruikbaar instrument jegens kerken

Door: Arjan Klaassen en Jaco van den Brink. Advocaten bij BVD advocaten en bestuursleden van het Wetenschappelijk Instituut voor de SGP.

Op 1 april verscheen een betogend artikel van strafrechtadvocaat Spong in de Volkskrant over godsdienstvrijheid tijdens de pandemie. Hierin stelde hij dat ''een voltallig kerkbestuur inclusief de vrome dominee strafrechtelijk kan worden vervolgd wegens mishandeling indien zij te veel gelovigen samenproppen in hun kerk.'' Advocaten en bestuursleden van Wetenschappelijk Instituut voor de SGP, Arjan Klaassen en Jaco van den Brink, zijn het hier niet mee eens. In dit artikel leest u hun reactie op het artikel van Spong in de Volkskrant.

Met enige verbazing namen wij kennis van de publicatie van vakgenoot Spong in de Volkskrant van zaterdag 3 april jl. Daarin betoogt hij met enig gemak dat de overheid met het Wetboek van Strafrecht een instrument in handen heeft het coronabeleid jegens kerken te handhaven nu het beleggen van diensten neerkomt op strafbare mishandeling.

Nu is Spong een befaamd rasstrafpleiter, maar hier gaat hij toch wel heel kort door de bocht, waarmee de verdenking rijst van een doelredenering. Spong stelt: ‘godsdienstvrijheid is geen vrijbrief om strafbare feiten te plegen’ – dat mag zo zijn, het gaat hier echter niet om een strafbaar feit. Godsdienstvrijheid betekent bovendien dat de religieus gevormde afweging van kerken serieus moet worden genomen. 

'Mishandeling'

Nu kan het uiteraard verkeren, zodat een strafpleiter die normaliter de wet juist toepast in het voordeel van de verdachte, van kleur verschiet en de rol van aanklager op zich neemt. Maar wij maken ons toch sterk dat iedere strafrechtadvocaat op zijn achterste benen zou staan indien een officier van justitie een zo ruimhartige toepassing van het verbod op mishandeling in de rechtszaal zou bepleiten als Spong hier doet.

Dat mishandeling tevens inhoudt het opzettelijk benadelen van andermans gezondheid, staat inderdaad zo in de wet. Maar daar stopt de feitelijke voorlichting en beginnen de veronderstellingen. Het punt dat wij er voornamelijk uitlichten (om maar niet te beginnen over juridisch toch behoorlijk weerbarstige discussies als causaliteit en dergelijke) is de stelling dat het bewijs van opzet voor mishandeling “niet veel problemen oplevert”. Alleen al de onmogelijkheid te bewijzen dat een kerkenraad de gezondheid van gemeenteleden opzettelijk benadeelt, betekent dat het strafrecht hier onbruikbaar is.

Rol van de kerkenraad 

Natuurlijk weten kerkenraden dat Covid-19 tot gezondheidsklachten en bij kwetsbare mensen zelfs tot sterfte kan leiden. In de kerk vindt men over het algemeen gezagsgetrouwe burgers en geen wappies. Dat is ook de reden dat kerken, ondanks onvervreemdbare grondrechten, als uitgangspunt de overheid zoveel mogelijk volgen in de preventieve maatregelen, waarbij iedere kerkenraad op maat een eigen afweging maakt tussen de verschillende belangen. Dat dit prima gaat en het bijwonen van kerkdiensten met inachtneming van de juiste hygiënevoorschriften niet leidt tot verhoogd risico op coronabesmetting, is opnieuw bevestigd in zeer recent Duits onderzoek van de Philipps Universiteit in Marburg.

Onnavolgbare redenering

Dat bezoek van een kerkdienst dus leidt tot een “aanmerkelijke kans” op besmetting is om te beginnen al bijzonder lastig te onderbouwen. Vereist is dat het gedrag van een verdachte een onmisbare schakel vormt in de gebeurtenissen die tot het gevolg van gezondheidsschade hebben geleid, waarbij bovendien aannemelijk moet zijn dat die gezondheidsschade hoogstwaarschijnlijk door het gedrag van een kerkenraad is veroorzaakt, zoals de rechtspraak laat zien.

Dat vervolgens de aanmerkelijke kans op schade bewust, willens en wetens wordt aanvaard door kerkenraden is al helemaal onnavolgbaar. Dat zou betekenen dat een kerkenraad de kans als aanmerkelijk beschouwt en toch op de koop toe neemt om het gewenste doel (het houden van diensten) maar door te kunnen zetten. Voor deze vorm van opzet, voorwaardelijke opzet geheten, is een zo vergaande mate van onverschilligheid jegens het slachtoffer vereist dat dit grenst aan doelbewuste en boze opzet. Die gemoedsgesteldheid moet het Openbaar Ministerie zien te bewijzen.

Casus Urk

De woordvoerder van de kerk op Urk liet volgens de media echter weten dat mensen met klachten en uit kwetsbare groepen thuis moesten blijven. De ruimte tussen volwassenen zou worden opgevuld met kinderen. Bovendien waren de meeste Urkers al eerder besmet geweest. Dus hoe je ook over het besluit oordeelt, er is in deze afweging in elk geval geen sprake van opzettelijke mishandeling. De conclusie kan niet anders zijn dan dat het gevolg van gezondheidsschade door het beleggen van diensten  wetenschappelijk niet aanmerkelijk is te noemen, laat staan dat dit is gewild of bewust aanvaard. Geen strafbaar feit dus.

Gewetensvolle afweging

Daarnaast: godsdienstvrijheid is geen  vrijbrief, maar betekent wel dat de gewetensvolle afweging van eenieder met respect wordt bejegend. Christelijk leven volgens de wet van God is door Jezus samengevat in: God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf. Dat dit ideaal vaak niet wordt waargemaakt (zoals de getergde reactie van een enkele kerkganger liet zien), maakt het richtsnoer niet anders.  Deze kerkenraden die een groot gewicht toekennen aan het geestelijk welzijn van hun leden en in dat verband aan de samenkomst, gaven blijk van een worsteling; zij kozen in de ervaren botsing van plichten voor hetgeen voor hen het zwaarste weegt. En is dat eigenlijk niet essentieel voor het grondrecht van godsdienstvrijheid?